Labexperiment
De noodzaak van ‘Creative Destruction’ in theater en concertgebouw
Laborant: Harry de Vries

Het concept ‘Creative Destruction’
‘Creative Destruction’ was in eerste instantie, in het eerste deel van de twintigste eeuw, een visie op maatschappij en economie van de econoom Schumpeter en later van David Harvey en ‘describes the way in which capitalist economic development arises out of the destruction of some prior economic order’. Ook wel genoemd ‘the invention of an invention’. Het concept kreeg ook politiek zijn vertaling. En zo werd hout vervangen door staal, nam wetenschap de plaats in van geloof of in ieder geval van bijgeloof en werd in de verlichte delen van de wereld alleenheerschappij door democratie vervangen.
Maar ‘creative destruction’ kreeg al rap ook z’n plaats in de bedrijfs- en organisatiekunde en werd gezet in de context van het noodzakelijke innovatievermogen van ondernemingen. Creatieve destructie of creatieve vernietiging werd en wordt in die omgeving beschouwd als een proces van permanente innovatie waarbij effectief gebruik van nieuwe technologieën en technieken de oude vernietigt. Organiseren is permanent reorganiseren zou je kunnen zeggen. Het gedachtegoed van creatieve vernietiging werd ook toegepast op het proces van bewuste ‘downsizing’ van een bedrijf, om op die wijze de dynamiek en de efficiency van een onderneming te vergroten.
Afgelopen maandag was de onconventionele econoom Deirdre McCloskey te gast in het VPRO-programma ‘Wintergasten’ en ook zij sprak over ‘creative destruction’ binnen welk proces zij de bourgeoisie en de bourgeoisnormen en -waarden een cruciale rol laat spelen in de historische ontwikkeling van het onethische kapitalisme. Zij propageert het ontstaan van een moreel kapitalisme waarbij de nadruk op ‘moreel’ in het licht van het dubieuze gedrag van economen, bankiers en hypotheekverleners niet onverstandig lijkt.
De in het Engels wat schutterende interviewer Raoul Heertje wist er een zeer interessant interview van te maken met een intrigerende persoonlijkheid. McCloskey die wegens de gender-verandering die zij heeft doorgemaakt, vroeger heette zij ‘Donald’, in mijn ogen de levende verpersoonlijking van het concept ‘creative destruction’ is. Iets kapot maken om iets nieuws te creëren: uit een man een vrouw maken! Waar ik alleen mee worstel is de vraag of zij nu een sterke man of sterke vrouw is? Ik hou het op een sterk mens.
Tot mijn tevredenheid durfde deze creatieve, intelligente en onafhankelijke geest het concept ook van toepassing te verklaren op de podiumkunsten en op cultuur en kunst in het algemeen, waarbij zij de in de jaren ’30 en ’40 revolutionaire wijze van spelen van altsaxofonist Charlie Parker presenteerde als een breuk met het verleden, als de creatieve vernietiging van wat er was met het doel om iets nieuws te creëren, als de overgang van de traditionele naar de moderne jazz.
Om in de jazzsfeer te blijven voeg ik als voorbeeld van ‘creative destruction’ het album ‘On the Corner’ van Miles Davis uit 1972 toe. Davis had genoeg van de wat ingedutte jazz in die tijd en vond dat zijn potentiële publiek, de jonge, zwarte Amerikaan, geen verwantschap meer voelde met de jazzscene. Het experimentele album werd toen verguisd maar vormt in retrospectief het breekijzer waarmee de toenmalige jazz werd opengebroken, nieuwe doelgroepen werden aangeboord en oude doelgroepen werden teruggewonnen. Zoals The Beatles afrekenden met de ‘I Love-You-Rock’ via het eerste progressieve rockalbum ’Sgt. Pepper’ (1967), Frank Zappa via ‘Freak Out’ (1966) en ‘Absolutely Free’ (1970) met alles en iedereen afrekende en Pink Floyd via o.a.‘Piper at the Gates of Dawn’ (1967) de rock psychedelisch maakte.
Creatieve Vernietiging in theater en concertzaal
Theaters en niet in de laatste plaats de concertgebouwen zijn reeds decennialang onneembare vestingen waar ‘het systeem’ in dat segment van de culturele wereld muren omheen heeft gebouwd waar je niet doorheen komt. Met een kaartje natuurlijk wel maar in figuurlijke zin niet. Gestold verleden waarbinnen je je moet gedragen alsof je in de 19e eeuw bent. Vooral niet hoesten, als je naar het toilet gaat kijken sommigen je aan alsof je een wandaad pleegt. Stil zitten, mond houden, kijken, luisteren en het vooral mooi vinden. Dat is het eeuwenoude devies in deze forten van muziek en toneel. En als je “boe” roept, zoals ik ooit deed tijdens de wanstaltige en anachronistische Joop van den Ende vertaling van het briljante werkstuk ‘Tommy’ van The Who, word je met de nek aangekeken. Toen ik met enige bombarie vertrok uit de zaal werd ik zelfs non-verbaal ‘verstoten’ door de meeste vrienden waarmee ik daar was. Zoiets doe je niet. Het is zelfs zo erg dat tegenwoordig een staande ovatie het standaardeinde van een voorstelling is. Of het nu excellent was of niet maar daar staat wel Theo Maassen en daar heb ik een hoop geld voor betaald dus klappen voor die man.
Eenmaal aangekomen in de lounge bij de bar, was men al op de hoogte: “daar heb je die a-sociaal die zijn afkeuring liet blijken”. Volkomen negerend en vergetend dat het vroeger, heel vroeger, zo’n beetje in de tijd van Bach en Mozart en al die andere krasse klassieke knarren, gebruikelijk was luidruchtig je instemming of je afkeuring in het theater te laten blijken. Dat werd als normaal beschouwd. Nee zelfs gezien als een noodzakelijke uiting; noodzakelijk omdat het helpt de kunsten op een hoger plan te brengen. Kritiek houdt je namelijk wakker en alert. Feedback zet leren en afleren in gang. Zowel de positieve als de negatieve feedback. Maar dat is men in die versterkte bouwwerken al lang vergeten.
Waarom kan het bij popconcerten wel? Biertje halen, af en toe met je kompanen je indrukken uitwisselen, niet zo opgeprikt op een pluche stoel zittend. Weglopen of anderszins je afkeuring laten blijken als het gebodene onder de maat is. Tussentijds klappen na een prachtig stuk, of bij het intro van een nummer, als blijk van herkenning, of na een solo, echt niet alleen in de jazz, meezingen komt zelfs voor. Dat kan allemaal. Probeer het eens in De Doelen of in het Concertgebouw tijdens een symfonie van Sibelius of Grieg. Kom eens tien seconden te laat bij Youp van ’t Hek. Je wordt behandeld als een roker in een café of door de artiest zelf verbaal tot onder je knieën afgezaagd. Zelfs bij uitvoeringen van ‘de modernen’ zoals Stockhausen, Cage of Oestvolskaja die het zelf niet zo nauw met ‘de regels’ namen, word je met dit gedrag persona non grata. Doorgeschoten bourgeois etiquette van kritiekloze of kritiekangstige en omhooggevallen sjiek.
En de machthebbers in die scene? De directeuren, de dirigenten, de musici, de toneelspelers, de producenten, wat hebben die gedaan om dit stilleven te doorbreken? Weinig tot niets. Conserveren, behoudzucht, dat is het beleid. Terwijl het bordje ‘stilte’ in de bibliotheken toch al jaren is verdwenen. En de meeste musea, op een stoffig kabinet na, het al langer door hebben: het publiek, de jeugd, zoekt interactie en actie in de vroeger zo stille gangen en zalen. Het museum moet “een belevingswarenhuis” worden, riep iemand een jaar of acht terug. Het is nog niet helemaal gelukt. Dat museale veranderingsproces, die creatieve destructie, is nog niet voltooid. Voor een herdefiniëring van een oud concept of de introductie van een nieuw concept is immers tijd nodig, maar het blijkt een innovatie die door de bezoekers van de musea wordt verwelkomd. Men is daar op de goede weg. Terwijl de theaters en concertgebouwen nog niet eens op weg zijn, laat staan op de goede weg. Die van creatieve destructie.
Hoe kan en moet het anders? Hoe kan een klassiek concert of een toneelvoorstelling weer echt worden beleefd, met alle verbale en non-verbale uitingen van het publiek van dien? Waarmee, dat is zeker, de drempel zal worden verlaagd en een belangrijk deel van het inmiddels vertrokken publiek zal worden teruggewonnen. Neem daarbij voor lief dat een ander deel van het publiek afhaakt. Dat is bij iedere verandering, zeker tijdelijk, zo. Kortom, hoe kan en moet een cultuurverandering in dit vastgeroeste theatrale en klassieke segment van de kunsten worden bewerkstelligd? Om het antwoord op die vraag te vinden kan veel worden geleerd van de psychologie, de organisatiekunde en ook van de inzichten met betrekking tot ‘creative destruction’. Waarbij het antwoord verder moet gaan dan of beter gezegd voorbij moet gaan aan het uitdelen van doorgedraaide tomaten bij de entree van het theater of het muziekpodium.
Verander de normen en waarden en draag het nieuwe gedrag in theater en concertzaal uit
Attitude- en gedragsverandering begint altijd bij een verandering van normen en waarden. Die normen en waarden zullen o.a. door het management van de theaters en concertzalen opnieuw moeten worden gedefinieerd en uitgedragen. En die normen en waarden zullen - gezien het bovenstaande zal dat niet als een verrassing komen - vrijer moeten zijn, minder bourgeois. Ondersteund via de hieronder genoemde wegen.
Geef zélf het goede voorbeeld
Dirigenten, muzikanten en artiesten zijn rolmodellen voor het publiek. Van een rolmodel neem je het goede én het slechte c.q. het oude gedrag over. Dirigenten, muzikanten of artiesten, geef zélf het goede voorbeeld door je losser te gedragen. Lach eens bij opkomst, zwaai naar het publiek als je je plaats achter de lessenaar inneemt, doe eens andere kleren aan in plaats van verkleed te zijn als een ober in een duur restaurant, hou eens op met dat formele buigen, zorg eens voor een andere inrichting van het podium. En doe iets aan de belichting. Ooit een lichtshow gezien bij een klassiek concert, of een symfonie aangekleed met film en andere animaties, zoals Pink Floyd’s Roger Waters recent nog ‘state-of-the-art’ deed bij de uitvoering van The Wall? Er is één goed voorbeeld wat ik ken en dat zijn de excellente Nieuwjaarsconcerten van het Nederlands Blazers Ensemble, jaarlijks in het Concertgebouw. Kleur, wisselend licht, verkleedpartijen, animaties, zelfs tijdens de uitvoering van modern klassieke en klassieke stukken. Niet in plaats van de kracht van de muziek maar naast de kracht van de muziek.
Zeg het niet maar doe het, is het devies. Er niet teveel over praten en ook niet in het programmaboekje zetten dat het anders wordt, maar laat de verandering zien, laat het publiek de creatieve destructie, de transformatie aan den lijve ondervinden!
Mobiliseer de ‘opinion leaders’ van de (podium)kunsten
Aansluitend op wat ik hierboven schreef over de invloed van het rolmodel, mobiliseer de ‘opinion leaders’ in de theaterwereld of in de wereld van de klassieke muziek. Hoe invloedrijk zou het zijn als Jaap van Zweden als ‘conductor of the year’ aan het begin van het concert zou zeggen dat hij reacties van het publiek zeer op prijs stelt? Of als Freek de Jonge deze andere manier van theaterbeleving zou propageren?
Probeer het uit, laat zien dat een andere setting toegevoegde waarde heeft
Vanuit de rationeel-empirische veranderstrategie kan worden gesteld dat mensen redelijke wezens zijn, althans de meeste, en dat zij bereid zijn een verandering aan te gaan als hen duidelijk wordt dat de verandering van belang is, een toegevoegde waarde heeft, dat het het leven of het werk leuker of afwisselender maakt of, in dit geval, de uitvoering of het concert aantrekkelijker maakt. ‘Pilots’ zijn in dat kader veranderkundig sterke instrumenten: we proberen het en als het niks is draaien we het terug. Wat overigens zelden gebeurt omdat de mens al doende ervaart dat de innovatie inderdaad een toegevoegde waarde heeft. Op die wijze adopteert men op de puinhopen van het oude ‘vanzelf’ het nieuwe. Theater- en concertgebouwdirecteuren: probeer het uit, doe het, evalueer het, samen met artiest en publiek, pas aan waar nodig, vier de successen en draag ze uit!
Verander het zaalregime
Laat eten en drinken in de zaal toe. Dat mag bij popconcerten, zelfs in het statige Carré, en in bioscopen. Waarom niet bij een klassiek concert of een theatervoorstelling? Een krakend papiertje van een chipszak is immers alleen irritant als iedereen stil is. Maar als gedoseerde reuring in de zaal normaal is dan vallen dat kraakzakje en dat kuchje niet meer op. Sterker nog, het hoort erbij, het maakt onderdeel uit van je sensatie, van de totale beleving, van het gevoel met z’n allen in de zaal te genieten (of niet). Doorbreekt dat de concentratie van de spelers? Wellicht, maar dat is een kwestie van tijd. Alles went.
Pas de inrichting van theaters en concertzalen aan
Bij de bouw van nieuwe theaters zou rekening gehouden moeten worden met die andere wijze van beleven. Maak de inrichting flexibel zodat de pluche stoelen en het opgeprikte gevoel kan worden weggeklapt en een vrije zaal, desnoods te gebruiken als dansvloer, ontstaat. Wat zou er gebeuren als je zou kunnen staan bij een uitvoering van een symfonie van Brückner door het Rotterdams Philharmonisch met een wijntje in de hand?!
Ook buiten de zaal zou veel kunnen veranderen en een significante toevoeging kunnen geven aan de totale beleving van de uiteindelijke uitvoering en van de avond. Impressies van het leven van Bach in de lounge op de muren geprojecteerd, loop naar de computer om meer te weten over John Cage, kijk met een biertje naar een televisie-interview met Freek de Jonge, zorg voor hen die dat willen en als integraal onderdeel van het kaartje voor hapjes en een goede wijn na de voorstelling, organiseer voorprogramma’s in de lounge, jonge mensen die hun interpretatie van Scriabin of Schumann geven of geef de plaatselijke, opkomende cabaretier een mogelijkheid zich kort te tonen. Er valt zoveel te bedenken en dat hoeft echt niet altijd veel geld te kosten.
Ten slotte … het momentum is daar!
De criticasters zullen stellen dat kunst en cultuur al zo onder vuur liggen en dat het niet het goede moment is om een proces van creatieve destructie te beginnen. Hoogstwaarschijnlijk een afleidingsmanoeuvre, een argument wat er aan de haren bij gesleept wordt, door de conservatieve vleugel. Het is namelijk juist het goede moment omdat er, helaas onder druk van bezuinigingen, veel zal moeten veranderen in de wereld van theater, toneel en muziek. Nieuwe visies en vergezichten zullen hun praktische vertaling moeten krijgen. Laat het concept van creatieve destructie daarin een belangrijke rol innemen. Met een aantrekkelijker, eigentijdser en dynamischer theater- en concertbeleving tot gevolg.
11 januari 2012